|
naar index verhalen
naar oude tekeningen en etsen
SITEMAP

Hoe begon het allemaal
Hoe begon
het allemaal. Je komt uit de tropen en daar zijn geen scholen, je komt maar voor
even naar Holland met tropenverlof in 1939, en de oorlog breekt uit. Je kan niet
meer terug naar de tropen, je gaat op een fabriek werken, een technische
fabriek. De Duitsers halen je er af om in Duitsland in de wapen industrie te
werken. Je komt in Berlijn terecht en je moet werken bij de Karl Jung fabrieken,
waar je vanuit het voddenpakhuis, wat je lager was, en bewaakt door één Gestapo
man - Aardige man, oorlogsinvalide, dacht na drie keer ons naar de fabriek
brengen verder zoeken jullie het zelf maar uit, zat alsmaar te schrijven,
misschien naar zijn vrouw die ergens ver weg in Duitsland woonde. De man had
meer verdriet dan ik, ik had niets achtergelaten, en Berlijn werd mijn leven.
Vier jaar was ik er. Omdat je door de bombardementen nooit slaap kreeg werd je
uitgeput. Ik kreeg roodvonk en difterie, kreeg een spuit van een Duitse arts,
een vrouw, die zei “Wann hast du deine letzte Braut gehabt”. Ik antwoordde "ich
habe niemals eine Braut gehabt", ik kreeg een tros druiven
en moest vlug naar het voddenpakhuis lopen want door de spuit zou ik van de
wereld raken. Dat gebeurde. ’S nachts bonden ze me op een brancard en lieten me
aan een lang touw van vierhoog naar beneden zakken in een ambulance auto naar
een enorm gebouwen complex, Prenz Lauerberg heette het. Het is nu een
bierbrouwerij, en toen een verzamelplaats voor alles wat besmettelijk ziek was
en wat veelal daar dood ging.
Er lag een Tsjech naast me die sproeide bij iedere hoestbui rode vlekjes over
mij heen. Toen kreeg hij een spuit om dood te gaan en ik had tuberculose. Omdat
ik het heel langzaam had opgelopen, had ik veel weerstand opgebouwd, en in een
kamertje zat een Pool met een microscoop en die zei tegen de bewaakster in
verpleegsters uniform “Hij heeft niks meer”.
De volgende dag zouden we dode lichamen moeten gaan ruimen, want alle
hoofdkwartieren van de Gestapo aan Unter Den Linden waren gebombardeerd
en alle patienten met koorts-grens 38.5 moesten in dun gevangenisgoed of
ziekenhuisgoed daar heen. De Duitse bewaakster keek mij lang aan. Zij had diepe
ogen en ik had diepe ogen en voor ze naar huis ging schreef ze ’s avonds om 5
uur op een papier ‘Entlassungs-befehl’.
Dit moest mij in de nacht door een Poolse vrouw die de vloeren dweilde gegeven
worden. Zij heette Sinaida Socolowa en is eigenlijk de basis van mijn leven. Zij
gaf mij de kleren waarmee ik daar binnen gekomen was en bracht me naar de
hoofdpoort. Onderweg veel vrijend met mij. Zij hield van mij en wilde het liefst
een kind van mij, maar ik was nog maagd en kon niets stijf krijgen, althans niet
staande, want het moest tussen de vuilnisbakken staande, en steeds als er een
Pool voorbij kwam moest ik zeggen ‘dobre noce’. Ik zei “kunnen we niet op de
vuilnisbakken-deksels gaan liggen, want zo hoort het toch, en misschien slaat
dat aan op mijn genen en kom ik tot de potentie”.
Zij zei “Toni, kommen sie
mal”.
De hoofdpoort werd
bewaakt door een Pool, Sinaida ging het hokje in waar de Pool zat. Even later
gingen de deuren een halve meter open en ik stapte op straat. In de sneeuw, met
een sneeuwvlakte voor me. Die heet nu de Prenzlauer
Allee en ik begon te lopen naar het vodden pakhuis.
Dat was juist die nacht getroffen en het was een vier verdiepingen hoop steen
die op de kelder lag waar de 450 man in zaten waarvan 300 Oekrainische vrouwen,
140 Fransen en Belgen, en 10 Hollanders. In een uitgegraven hokje in het puin
zaten twee boerenjongens die nooit de kelder in gingen, maar liever de
granaatscherven-dood stierven dan de verstikkingsdood, alle jaren door. Men had
tegen hen gezegd ‘probeer stenen weg te halen zodat de mensen lucht krijgen’.
Wat bij vier verdiepingen stenen gebouw niet zo goed mogelijk was.
Zij zeiden tegen mij “iedereen is dood, jij was hier niet, voor de fabriek ben
jij ook dood”.
Ik ging de U-Bahn in, waar het water tot aan de perrons stond, en begon weer
te lopen. Ik ging naar het huis van de man waaronder ik werkte op de fabriek,
het bleek een communist en hij gaf mij een pak brood-kaarten voor allen die net
als ik waren. Acht Mark per kaart bracht ik hem steeds. Ik was lang onder de
communisten en voelde mij thuis in de mentaliteit ‘als het avond wordt ga je
gewoon liggen waar je bent en slapen of niet’.
Mijn programmatie van civilisatie verdween en ik werd als een dier, wat ik nu
nog steeds ben. Ik liep naar het station Oranienburg, waar iedereen dood was, en
zag in het weiland een trein staan, ben daarheen gelopen. Hij zat vol mensen van
het Oostfront, vooral Nederlanders van de NSKK die de vrachtwagens reden naar
het Oostfront. Zij lagen op de banken, op de grond, in de gangen, gehurkt, en ik
ging er tussen liggen. De trein reed in een keer door naar Amsterdam. Ik vergat
net te zeggen: toen ik in de zwarthandel zat, dat mijn Duitse vriend Albert
Kaftan, Adelbertstrasse 10, die mij de broodkaarten gaf, mij meenam naar het
hoofdkwartier van de niet meer intact zijnde Gestapo gebouwen waar alle
voorgevels uitgezogen waren.
Hij had een aktentas met
twee flessen jenever er in, en zei „dieser Bursche war krank und er muss sich
erholen, am besten in seinem Land, sondern hier fällt er unter die Räuber”.
Ik kreeg van de Gestapo een
papier met een verlof twee weken Holland. Ik was in de trein dus net als de
jongens van de NSKK, die ook zo’n papier hadden, alleen zij hadden het zwarte
SS-uniform aan zonder de insignes SS, en ik niet.
Bij de grenzen werd niet gekontroleerd. Ik liep van Amsterdam naar mijn
ouderlijk huis, die al die jaren niet geweten hadden waar ik was, mijn vader
keek op van zijn krant en ging toen door met lezen. Ik wilde iets zeggen, maar
mijn moeder zei “eerst in bad”.
Ik ben toen weer de deur uit gegaan en weer gewoon langs de weg gaan liggen
zoals al maanden mijn gewoonte was, maar had een spaarbankboekje gepakt waar
fl.1200 op stond, op mijn naam, wat mijn vader altijd terug wilde hebben omdat
hij dat geld er op gestort had om het wit te wassen.
Ik liep naar het station, keek op een kaart waar het het meest groen was in
Nederland, dat was Drente. Ik ging in de trein, stapte uit in Assen, zag dat het
er helemaal niet groen was. Iemand zei “dan moet je de bus nemen”. Die nam ik en
opeens bij Drouwen, daar was niets meer, alleen zandverstuivingen. Ik dacht
‘hier moet ik wezen’, maar de bus reed door tot Borger. Daar zag ik veel bossen.
Ik dacht “dan ga ik in de bossen wonen”.
Een man van de gemeente zei tegen mij, omdat ik opvallend was, “je mag wel
slapen in het Groene-Kruis hokje waar ze de schurft patienten insmeren”. Dat
deed ik en toen begon het.
Ik had
papier, gewoon papier, niks kunst-achtigs, en ik had bruin krijt in mijn zak,
Sanguine, en ik ging weer lopen, en als ik boerenschuren zag, met een
boerderijtje er bij, dan tekende ik dat. Zonder talent, maar wel met het gevoel
van de U-Bahnen. Dan vroeg ik aan het boerderijtje of ze daar een stuk brood
voor wilden geven. En dat ging. Bij andere boerenschuren kreeg ik een stukje
spek.
Dit was alles in 1946. Ik hoorde toen van een kunstenaar die in Rolde woonde,
zijn naam is Jan Kagi, en hij schilderde lucht en daaronder zand en wat
zuringplanten, en uit Amsterdam kwamen ze ze halen. Hij was erg goed. Ik zei
tegen hem “ik ben alsmaar aan het lopen, en ik wil nu naar Spanje lopen”. Hij
zei “dan loop ik mee”. Hij groette zijn vrouw en we vertrokken. Hij zei “ik heb
wel wat geld tot Parijs”.
Wij gingen naar Parijs met de trein, kwamen in St.Germain des Pres terecht, en
hij zei “als jij nu hier wacht Ton, dan ga ik toch even met deze hoer mee”. Toen
hij terug kwam had hij helemaal geen geld. Hij zei “het was allemaal anders als
in Holland, het leek wel alsof ik in een roeiboot zat, en ik mocht steeds wat
drinken en die glaasjes werden een fles” en toen was hij blut. Hij zei “het was
een lieve meid, ze heeft me helemaal gewassen, tenminste de belangrijkste
delen”.
Toen zijn we gaan lopen en hij tekende en ik tekende. Hij kon het heel goed.
We hebben heel 1947 langs de weg geslapen, meestal op het asfalt, dat bleef het
langst warm, en gingen heel vroeg weer verder lopen. De Pyreneën over en Spanje
in. Er waren toen nog geen winkeltjes, in 47, het enige was stokbrood. We hebben
een jaar geleefd van stokbrood en druiven en heel veel mooie tekeningetjes als
spoor achter ons gelaten.
Dit zijn de echte Heyboeren, en dat ben ik nu weer aan het doen, alleen maar
een spoor achter me laten. De tijd van beroemd zijn heb ik beleefd, en was niet
aan mij besteed. De U-Bahn was mooier dan het museum.
Als dier heb ik alles overleefd, geld heb ik nooit nodig gehad, ook nu nog
niet. Vier prachtvrouwen zijn een bedrijf begonnen in wat ik zelf allemaal zie
als alleen maar overleven en een spoor achterlaten. Zij zijn een vennootschap en
zij zien het als kunst en hebben het in alle grote musea van de wereld gebracht.
Ik heb er nooit een zien hangen en het interesseert me ook niet. Wel voor hen,
want zij kunnen nu doorbestaan na mijn dood. Ik werd door Beatrix ridder gemaakt
in de orde van Oranje Nassau. En dat ben ik.
Anton
Heyboer, ridder.
|